In de Middeleeuwen kwam de handel op en groeiden de steden. De 17e eeuw (1600-1700) was een tijd van grote welvaart. Daarom noemen we die eeuw ‘de Gouden Eeuw’. In die jaren bloeiden de schilderkunst, de literatuur en de wetenschap op als nooit tevoren. Nederland kende toen al godsdienstvrijheid en daarom kwamen veel mensen die in hun eigen land vervolgd werden vanwege hun geloof, naar Nederland. HandelNederland is altijd een zeevarende natie geweest. Al eeuwen geleden trokken zeelieden in hun houten schepen erop uit om nieuwe gebieden te ontdekken. In de Gouden Eeuw werden Indonesië en andere landen in Zuidoost-Azië belangrijke handelsgebieden voor Nederland. Ook voeren schepen naar Japan. In al die landen richtten de Nederlanders handelsposten op. Nederlandse kooplieden maakten veel winst door handel te drijven met landen overzee. Ze voeren naar verre gebieden met goud en zilver aan boord. Daarmee kochten ze producten die in Nederland niet te krijgen waren. Denk bijvoorbeeld aan specerijen zoals peper, kaneel, nootmuskaat en kruidnagelen. Ook kochten ze er zijde, katoen, porselein, koffie, thee en suiker.
Hoewel het met Nederland goed ging, was er ook een minder leuke kant aan die periode. De handelsbelangen waren zo groot dat er ook veel om gevochten werd met de andere Europese landen die handel wilden drijven. Het ging er in die tijd niet echt zachtzinnig aan toe. Daarnaast waren de Nederlanders in die tijd niet altijd even aardig tegen de mensen in de landen waar ze mee handelden. Een voorbeeld daarvan is de slavenhandel. De Nederlandse zeevaarders brachten toen veel mensen uit Afrika als slaven naar onder andere Suriname en Amerika. VOCDe schepen die naar het oosten voeren, waren van de VOC. Die drie letters staan voor de Verenigde Oostindische Compagnie. De VOC werd in 1602 door kooplieden opgericht en heeft bijna twee eeuwen bestaan. Door samen te werken, stonden de kooplieden sterk: ze konden grote schepen bouwen en volop handel drijven. Wie als koopman in Nederland geen lid was van de VOC, mocht niet handelen met Azië. Het leven aan boord was zwaar. De schepen waren nogal klein. De officieren hadden een eigen kamer, maar de matrozen moesten zelf een plekje zien te vinden. Als ze pech hadden, moesten ze in de kou op het dek slapen. Moet je je voorstellen: zo’n reis kon vaak maanden duren!
| |